|
Inleiding
Hommels
Hommels
zijn insecten uit het geslacht Bombus. Er zijn ongeveer 400 soorten
hommels, waarvan een aantal soorten voorkomt in Nederland en België.
Vrijwel over de hele wereld komen hommels voor. De meeste soorten leven op
het noordelijk halfrond, vooral in berggebieden.
Hommels zijn
aangepast om te overleven in een wat kouder klimaat. Het lichaam is voor
een insect relatief groot en is zowel lang- als dichtbehaard, waardoor de
warmte goed wordt vastgehouden. Daardoor komen hommels zelfs voor op de
koude toendra's in het hoge noorden. De lange beharing is echter een
nadeel bij warm weer, en ze moeten dan veel rusten en hommels zijn nauw
verwant aan de bijen.
Er zijn twee
groepen hommels; de bekendste zijn de soorten die een nest maken net zoals
bijen en wespen, hoewel het nest gemiddeld kleiner blijft. Er zijn ook
hommels die zelf geen nest maken maar de eitjes in het nest van andere
soorten leggen, de koekoekshommels, deze missen ook de stuifmeelkorfjes
die de andere hommels wel hebben. De koekoekshommels worden soms tot het
geslacht Psithyrus gerekend, maar sommige taxonomen maken geen onderscheid en rekenen alle hommels tot het
geslacht Bombus.
Anatomie en levenswijze
Een
hommel lijkt anatomisch veel op een bij maar heeft meer beharing en wordt
een stuk groter. Ondanks de vaak sterk contrasterende kleurenbanden van
het lichaam kennen veel soorten verschillende kleurvormen met een overlap
of variaties waardoor determinatie niet altijd even makkelijk is. Sommige
andere insecten, zoals de gewone wolzwever (Bombylius major), een vlieg,
bootsen bovendien de kleuren en vormen van hommels na, dit wordt mimicry
genoemd. In tegenstelling tot de bij heeft de hommel ook stevige kaken;
deze worden alleen gebruikt om bloemen stuk te knippen om bij de nectar te
komen.
Een hommel
heeft een groot lichaam maar relatief kleine vleugeltjes. Met de wetten
van de aerodynamica kon men lange tijd niet verklaren dat een hommel kan
vliegen. Na onderzoek bleek dat hommels een trucje hebben uitgevonden
waardoor ze toch kunnen opstijgen. Door de op- en neergaande beweging van
de vleugels ontstaan luchtwervelingen die zorgen voor een opwaartse kracht
waardoor de hommel, hoewel hij eigenlijk te zwaar is, toch kan vliegen.
Hommels halen dus extra energie uit de manier waarop de vleugels bewegen,
en dit fenomeen wordt in de aerodynamica diepgaand bestudeerd om er
voordeel uit te halen.
De mannetjes
verschillen van de vrouwtjeshommels in verschillende opzichten: ze zijn
kleiner, hebben langere antennes (13 geledingen i.p.v. 12) en zien er wat
pluiziger uit. Ook hebben mannetjes geen angel en geen stuifmeelkorfjes.
Bij de werksters is de legbuis omgevormd tot een angel. Alleen vrouwtjes
kunnen steken, zowel werksters als koninginnen. De steek van hommels is
slechts pijnlijk en niet gevaarlijk, tenzij men allergisch is. Dan kan in
extreme gevallen een anafylctische shock optreden, een ernstige
allergische reactie, die levensbedreigend kan zijn. De angel van de hommel
blijft niet achter na een steek zoals bij de honingbij. Een hommel gaat na
een steek niet dood en kan de angel telkens opnieuw gebruiken, net zoals
wespen. Door de angel wordt gif naar buiten gepompt. Hommels die zich
aangevallen voelen laten dikwijls een verdedigingshouding zien door op
één kant te gaan liggen en alle poten en het achterlijf met angel uit te
steken.
Hommels en
bijen zien kleuren anders dan de mens. Ze zien geen rode kleuren, maar wel
de kleuren in het ultraviolette deel van het licht. Veelal weerkaatsen de
zogenaamde honingmerken in bloemen UV-licht, waardoor ze voor hommels goed
zichtbaar zijn.
Een hommel
bezoekt bij voorkeur vooral tweejarige, maar ook meerjarige planten, omdat
deze planten meer nectar produceren door hun in het algemeen grotere
bloemen. Een uitzondering hierop vormen de eenjarige halfparasieten zoals
de ratelaar. Omdat hommels geen grote honingvoorraad aanleggen moeten er
gedurende het hele voorjaar en zomer (van maart tot september) bloeiende
planten aanwezig zijn. Overigens produceren hommels wel honing, echter in
kleine hoeveelheden en 'hommelhoning' is daarom commercieel niet
interessant.
Bestuiving
Hommels leven
net als alle andere bijen van nectar en stuifmeel, de suikerrijke nectar
is de energiebron van de hommel. Er zijn hommelsoorten die het stuifmeel
opslaan in aparte voorraadcellen (pockets) en er zijn soorten, zoals de
aardhommel, die het in toevallig leegstaande broedcellen opslaan. Hommels
kunnen tot wel 2 uur achter elkaar stuifmeel verzamelen tot een gewicht
van 60% van hun lichaamsgewicht. Het stuifmeel kunnen de vrouwtjes met
behulp van nectar en hun voorpoten tot een klompje samenplakken aan hun
achterpoten en zo vervoeren naar het nest. Op de holle scheen van de
achterpoot zit hiervoor een kale plek, die omgeven is met stijve haren.
Deze plek wordt een stuifmeelkorfje (corbicula) genoemd.
Een hommel
heeft een lange tong met haartjes aan het uiteinde, waarmee ze nectar uit
de bloemen opzuigen. De tong wordt beschermd door de schede. Wanneer de
hommel haar tong niet gebruikt zit de schede onder haar lichaam gevouwen.
De lengte van de uitrolbare hommeltong, ook wel proboscis
genoemd, varieert van soort tot soort. Hierdoor treedt er een zekere
specialisatie in bloembezoek
op, waardoor hommels minder onderlinge concurrentie hebben. In Australië
en Nieuw-Zeeland introduceerden kolonisten rond 1880 hommels uit
Zuid-Engeland omdat geen van de inheemse bijen door de diepe kroonbuizen
de ingevoerde rodeklaver konden bestuiven. Alleen een uitrolbare hommeltong kan deze
rode klaver bestuiven. In Denemarken en Frankrijk worden gekweekte hommels
ingezet voor het bestuiven van rode klaver. Wanneer de nectar te diep in
een bloem verborgen is bijt de hommel een gaatje in de zijkant van de
bloemkroon om zo bij de nectar te kunnen komen.
De hommel,
vooral de aardhommel, wordt tegenwoordig ook gekweekt voor bestuiving van
onder andere tomaten,paprika,aubergine, meloen, aardbei, framboos
en rode bes in kassen. Bij paprika moet de hommel wel worden bijgevoerd
met suikerwater, omdat paprika geen nectar produceert. Hommels zijn goede
bestuivers, omdat ze met de bovenkaken (mandibels) en klauwtjes aan de
poten de meeldraad kunnen vastpakken en met behulp van de borstspieren de
meeldraden
heen en weer kunnen schudden om zo de stuifmeelkorrels uit de helmhokjes
te laten vallen. Bij komkommerkruid kunnen alleen hommels op deze manier het stuifmeel uit de helmhokjes
krijgen. De vallende korrels plakken aan hun electrostatischgeladen lijf. Vervolgens kunnen zij met hun poten het stuifmeel verzamelen
in hun korfjes. Een hommel neemt ook sneller genoegen met stuifmeel als er
geen nectar aanwezig is. Ook verlaat een hommel niet zo gauw de kasruimte,
in tegenstelling tot bijen.
In noordelijke
landen zoals Noorwegen en Zweden zijn hommels voor de bestuiving zeer belangrijke insecten, omdat ze bij
lage temperatuur nog vliegen, in tegenstelling tot bijen. In de zuidelijke
landen zoals Frankrijk is de bij belangrijker voor de bestuiving.
Nederland zit daar tussenin. In Nederland komen zo'n 29 verschillende
soorten hommels voor, waarvan 7 soorten koekoekshommels. Sommige soorten
zijn echter zeer moeilijk uit elkaar te houden. Hommels (hoofdzakelijk
aardhommels) die op de bloeiwijze van prei nectar uit de preibloempjes
verzamelen gaan steeds trager bewegen en raken versuft. Soms vallen ze
zelfs op de grond om na een poosje weer weg te vliegen. Er kunnen wel tot
tien hommels tegelijk op een bloeiwijze zitten.
Door
voedselconcurrentie kunnen onder laatbloeiende lindebomen,
vooral onder alleenstaande bomen, veel dode hommels liggen. Doordat er
meer energie bij het rondvliegen verbruikt wordt dan er in de vorm van
nectar verzameld kan worden, verhongeren de hommels. Ook worden de
verzwakte hommels dan nog eens door vogels en wespen belaagd
Levencyclus
Een kolonie
hommels sterft elk najaar, alleen de bevruchte jonge koninginnen blijven
in leven en overwinteren. Slechts enkele hommelsoorten gebruiken meerdere
keren hetzelfde nest. Een mogelijke oorzaak is het brede scala aan
nestparasieten of nestbezoekende vijanden van hommels. In de loop van het
seizoen raakt het nest meer bevolkt met nestparasieten en meer bekend bij
vijanden. Hergebruik van het nest komt voor bij soorten als de boomhommel,
en ook bij soorten in warme streken.
De hommel kan
zelf zijn lichaamstemperatuur regelen, door het trillen van de
borstspieren, zonder dat de vleugels meebewegen. Hij kan zo een
lichaamstemperatuur van 30 °C tot 32 °C handhaven. De koningin vliegt al
bij een buitentemperatuur van 2 °C, de werksters bij 6 °C.
In het
voorjaar gaat de koningin eerst een beetje nectar en later wat stuifmeel
verzamelen. Na enkele weken zoekt ze een geschikte plek voor haar kolonie,
ook wel staat genoemd. In de nestruimte wordt een bolvormig nest van 3-5
cm in doorsnee van in stukjes gebeten plantendeeltjes gemaakt. Van was
worden de eerste broedcellen op een soort voorraadpotje gemaakt dat gevuld
wordt met stuifmeel. Een tweede potje van was wordt gevuld met nectar, dat
de koningin 's nachts of op dagen met slecht weer als voedsel gebruikt. De
was wordt gemaakt door klieren in haar achterlijf en komt aan de
onderzijde tussen de segmenten van haar achterlijf naar buiten. In elke
broedcel (larvenwiegje) worden verscheidene bevruchte eieren gelegd. De
koningin bevrucht de eieren met zaad van het mannetje waarmee ze gepaard
heeft en dat ze de hele winter in haar lichaam heeft bewaard. De
broedcellen worden met was afgesloten. De koningin legt in totaal 5-15
eieren. Ze broedt de eitjes deels zelf uit. Door gebruik te maken van haar borstspieren
houdt ze de temperatuur op peil. Door de weinige beharing aan de onderkant
van het achterlijf kan de lichaamswarmte gemakkelijk op het broed
overgedragen worden.
Na vier dagen
komen de larvenuit de eitjes. Eerst eten zij van het stuifmeel uit het voorraadpotje en
van de was in het larvenwiegje. De made-achtige larven worden regelmatig
van nieuw voedsel (nectar en stuifmeel) voorzien. De larven houden hun
uitwerpselen in het achterlijf opgeslagen. Tijdens de groei vervellen de
larven een aantal keren, omdat hun huid niet kan meegroeien. Als ze
volgroeid zijn wordt de ontlasting in één keer uitgescheiden en spinnen
de larven zich vlak voor de verpopping in. Het spinsel om de pop wordt
hard en vormt zo een cocon. Elke larve maakt zijn eigen cocon. Op deze
cocons bouwt de koningin nieuwe eibekers en legt weer eitjes in deze
eibekers. Hierdoor profiteren de eitjes van de warmte die van de cocons
afkomt. Na twee tot drie weken bijten de jonge werksters, bij latere
broedsels geholpen door de werksters, aan de bovenkant van hun cocon een
gat. Als het gat groot genoeg is kruipen ze naar buiten.
De eerste dag
kleuren ze uit en bouwen ze hun cocons om tot honing- en stuifmeelpotten
en maken ze de bekers groter. Na 2-3 dagen begint hun eigenlijke taak, het
verzamelen van nectar en stuifmeel. Een hommel vliegt meestal niet verder
dan 100 tot 200 meter van het nest. De nectar wordt verzameld in de
nectarmaag, die vele malen kan uitvouwen. De nectarmaag is een zak met
alleen een opperhuid en één opening. Er kan, afhankelijk van de grootte
van de hommel, ongeveer 0,06 – 0,20 ml in. Een volle maag bevat de
nectar uit zo’n 60 bloemen (bloemen bevatten zo'n 0,001 ml nectar). Een
kolonie hommels heeft een voedselvoorraad voor slechts enkele dagen om
slechte weersomstandigheden te kunnen overleven. De werksters verschillen
in grootte door verschillen in temperatuur en voedsel tijdens hun
ontwikkeling. De grootte en het verschil in leeftijd bepalen de
taakverdeling tussen de werksters onderling. De koningin komt na het
uitkomen van het eerste broed niet meer buiten het nest en besteedt haar
tijd volledig aan het warm houden van het broed en voeren van de larven.
Wanneer het tweede broed zich verpopt vult de koningin dagelijks 1-3
bekers met bevruchte eitjes. De kolonie groeit, na ongeveer 3 weken
ontwikkelingsduur, met meer dan 10 werksters per dag.
Wanneer de
kolonie groot genoeg is (ongeveer 80 werksters) gaat de koningin door een
verandering in de feromoonproductie
onbevruchte eitjes leggen, waaruit na 25 dagen mannetjes ontstaan. Drie
dagen nadat ze uit hun poppen zijn gekomen verlaten ze het nest.
Larven die
meer voedsel krijgen groeien niet uit tot werksters maar tot volwassen
koninginnen, ze krijgen dus geen beter of ander voedsel. De jonge
koninginnen komen na een ontwikkelingsduur van 30 dagen uit hun poppen en
blijven dan nog 5 dagen in het nest om hun vetlichaam te ontwikkelen, een
energievoorraad die ze nodig hebben om de winterslaap te overleven. Vaak
komen ze nog terug in het nest om er te slapen. Als gevolg van de
verandering in feromoonproductie gaan de werksters ook eitjes leggen en
dit levert strijd op tussen de werksters en de koningin. De koningin rooft
de eitjes van de werksters en de werksters roven haar eitjes weer,
waardoor er weinig tot geen nieuw broed meer bijkomt. Dit is het begin van
het einde. De jonge mannetjes eten in het begin veel nectar en stuifmeel
uit de voorraden in het nest. Na het verlaten van het nest keren zij daar
zelden terug.
Na verlating
van het nest vertonen de mannetjes van veel hommelsoorten een typisch
gedrag. Ze vliegen steeds dezelfde route met een straal van ongeveer
150-200 meter waarbij ze op een twintigtal plaatsen een geurstof afzetten
die jonge koninginnen lokt. Afhankelijk van de soort verschillen deze
geurstoffen van samenstelling en worden op verschillende hoogten afgezet.
De geurstoffen worden geproduceerd door klieren in de kop. De mannetjes
vliegen voortdurend deze gemarkeerde plaatsen langs om te controleren of
er al een koningin is aangelokt. Hierbij kunnen ze enorme afstanden
afleggen; 17 tot 60 km per dag. Een paring vindt plaats op de grond en
duurt 15-30 minuten. Na de paring gaat het mannetje op zoek naar een
nieuwe koningin en de bevruchte koningin gaat op zoek naar een
overwinteringsplaats. Bij sommige hommelsoorten is dit al in juli, en bij
andere pas in oktober.
Vijanden
Een
koekoekshommel (meerdere Psithyrus-soorten; tegenwoordig ingedeeld bij de
hommels (Bombus) lijkt zeer sterk op de nestmakende hommels waarbij ze de
eieren afzet, maar is te herkennen doordat ze met een zacht gebrom vliegt
en geen stuifmeelkorfjes heeft. Zij bijt soms de koningin dood, deponeert
de eitjes in het bestaande nest en laat de eieren en larven verder
verzorgen door de aanwezige werksters. Ook komt het voor dat ze ongemerkt
het nest binnen sluipt en zich een tijdje verstopt totdat ze de geur van
het nest heeft aangenomen om dan pas de eitjes af te zetten.
Koekoekshommels hebben zelf geen werksters en leiden een zwervend bestaan.
Daarnaast zijn
insectenetende vogels zoals de grauwe klauwier belangrijke vijanden van de hommel. Ook vlinders als
de hommelmot (Aphomia sociella) vormen een bedreiging omdat de larven het nest
leegvreten; indien ze al te massaal voorkomen blijft er niets meer over
voor de hommels. Verder vreten insecteneters als dassen, veldmuizen en
spitsmuizen
hommelnesten leeg. Andere vijanden zijn roofvliegen (blaaskopvliegen) die
een eitje in het achterlijf van hommels brengen, waarna de larve de hommel
van binnenuit leeg eet, om uiteindelijk het borststuk leeg te zuigen. Zo
worden de vitale organen het langst gespaard en blijft de hommel vers.
Aaltjes kruipen in een koningin tijdens haar winterslaap. Bacteriën kunnen voor
diarree zorgen. Ook de mens speelt een rol, door vervuiling, het gebruik
van pesticiden en landschapsvernietiging, en ook doordat menselijke
invloed het verdwijnen of achteruitgaan van bepaalde voedsel leverende
plantensoorten bewerkstelligt.
| |
 |
|
 |
|
| Webmaster
Johnny Larno in samenwerking met de vriendenkring van
brandweer Oudenaarde. |
|